Eerste Kamerfractie ChristenUnie steunt inwerkingtreding Oekraïneverdrag

roel-kuiper-vierkant-600x600dinsdag 23 mei 2017 15:19

Vandaag debatteert de Eerste Kamer over de inwerkingtreding van het Oekraïneverdrag. De benadering van de ChristenUnie-fractie is vergelijkbaar met die in juli 2015, toen de Eerste Kamer debatteerde over het Associatieverdrag met de Oekraïne.

Fractievoorzitter Roel Kuiper: "Wat er sindsdien is gebeurd is bekend: er is een volksraadpleging gehouden en met de referendumuitslag is premier Rutte naar Brussel gegaan. Hij is er in reactie op de nee-stem in geslaagd afspraken te maken. In die afspraken is juridisch bindend vastgelegd dat het associatieakkoord niet gaat over lidmaatschap van de EU, niet over militaire garanties en niet over vrij verkeer van werknemers. Over die afspraken gaat het vandaag. De ChristenUnie-fractie acht deze afspraken een goede reactie op de bezwaren die geuit zijn bij het referendum."

Roel Kuiper vervolgt: "Bovendien is het aan de Eerste Kamer om een eigen afweging te maken met het oog op de uitslag van een raadgevend referendum. Zo'n referendum vervangt niet de rol van de medewetgever. Het primaat blijft bij de wetgever liggen en de eindafweging vindt vandaag dus plaats in de senaat. Voor ons is dat een zaak van staatsrechtelijke zuiverheid. En de referendumuitslag wordt door ons niet vertaald als een gebod om onze steun voor het Oekraïneverdrag in te trekken. Wij blijven het akkoord beschouwen als een steun in de rug voor de Oekraïne. De EU steunt hiermee ontwikkelingen aan zijn grenzen in een groot land dat de weg wil inslaan van democratisering, opbouw van de rechtsstaat en bestrijding van corruptie.”

Onderstaand volgt de volledige bijdrage van Roel Kuiper aan het debat.

Voorzitter,

Op 7 juli 2015 stemde deze Kamer in meerderheid in met de associatieakkoorden tussen de EU met Georgië, Moldavië en Oekraïne, alle drie oostelijke partners van de Europese Unie. Mijn fractie stemde eveneens in, overigens zonder aan de beraadslagingen deel te nemen. Het akkoord met Oekraïne kreeg in het debat destijds de meeste aandacht en dat had alles te maken met de rol die het akkoord had gespeeld in de machtswisseling een jaar eerder en verschuivende verhoudingen in de regio mede door de annexatie van De Krim door Rusland. De relatie tot Europa was en is voor hervormingsgezinden in Oekraïne van groot belang en gelet op de Russische dreiging van bijzondere waarde. Overigens bestond er met Oekraïne al een partnerschapsovereenkomst uit 1994.

De associatieakkoorden staan in het kader van het Europese nabuurbeleid en niet in het kader van mogelijke toetreding tot de Europese Unie. Dat is destijds in juli 2015 door de minister van Buitenlandse Zaken in deze Kamer uiteengezet. Het feit dat in de overeenkomst gesproken wordt van ‘politieke associatie’ hoeft hier geen argwaan te wekken - op zichzelf al niet, want dit begrip duidt op inhoudelijke samenwerking en niet op een aanstaand lidmaatschap - maar ook niet omdat in de akkoorden met Moldavië en Georgië dezelfde terminologie wordt gebruikt, terwijl dat in deze gevallen geen aanleiding gaf tot een discussie over een mogelijk lidmaatschap. 

Het associatieverdrag met Oekraïne is in ons land voorwerp geworden van een nationaal politiek debat en heeft de vrees gevoed dat de EU bezig zou zijn met verdere uitbreiding naar het Zuidoosten. Het is waar dat dit associatieverdrag meer is dan een klassiek handelsverdrag, al is duidelijk dat daar een stevig accent ligt. De politieke componenten zien op de bevordering van rechtsstaat en democratie, de invoeging van Oekraïne in meer Europese politiek-culturele normen en standaarden. Daar kan het land alleen maar van profiteren. Het associatieverdrag biedt Oekraïne steun in een situatie waarin het zich als soeverein land bedreigd weet door de invloed van Rusland in de regio. De annexatie van De Krim heeft de verhouding met Moskou definitief anders en naar alle schijn onomkeerbaar gemaakt.

Voor mijn fractie is het van betekenis dat de overeenkomst Oekraïne helpt in een ontwikkeling die het land zelf wil doormaken. Nieuwe generaties Oekraïners zien uit naar een ander Oekraïne, naar een land dat zich economisch ontwikkelt met de enorme potenties die het bezit, een land waar de democratie naar behoren functioneert, een land dat praktijken van corruptie te boven komt, en nadat het zich uit het verband van de Sovjet-Unie heeft losgemaakt, internationaal kan voegen in de kring van goed functionerende staten. Het associatieverdrag geeft belangrijke Europese steun aan deze ontwikkelingen, het onderstreept dat Oekraïne als soevereine staat vrij is eigen keuzes te maken en geeft daarmee een belangrijke boodschap af. Voor mijn fractie waren dat toen maar zijn dat ook nu belangrijke overwegingen. De vraag is of wij politieke steun geven aan belangrijke democratische ontwikkelingen in een groot land dat direct grenst aan Europa.

In Nederland is het associatieakkoord voorgelegd aan de bevolking via een raadgevend referendum volgens de regels van de aangenomen initiatiefwet. Dat dit het onderwerp zou zijn van het eerste referendum baarde enig opzien, maar het is er gekomen en we weten inmiddels dat mensen daar met verschillende motieven aan hebben deelgenomen. Het referendum leverde een nee-stem op, waarna het aan het kabinet was de uitslag te interpreteren en hierop te acteren. Dat kon ze doen door de wet in te trekken of een nadere regeling te treffen met betrekking tot de inwerkingtreding (zie artikel 11, Wet raadgevend referendum). Intrekking van de wet zou naar het oordeel van mijn fractie niet opportuun zijn geweest, gelet op het internationale belang van deze overeenkomst. Nederland zou dan een blokkade opwerpen voor de inwerkingtreding van een akkoord waar alle lidstaten bij betrokken zijn geweest. De vraag is terecht gesteld of internationale verdragen niet uitgezonderd moeten worden van een volksraadpleging, omdat, zoals de AIV heeft gesteld, een verdrag gesloten met meerdere partners geen ‘vrij onderwerp’ is. Het kabinet heeft terecht de ruimte genomen voor een nadere regeling van de inwerkingtreding en daarbij geprobeerd de gehoorde bezwaren tegen de overeenkomst te honoreren. Dat is gebeurd met een verklaring die een interpretatie geeft bij het verdrag en juridisch bindend is. De lidstaten spreken zich hierin uit hoe zij de overeenkomst met Oekraïne zien en er naar zullen handelen. Het is te dun om te zeggen dat dit een lege verklaring is, want deze verklaring zal moeten worden gehanteerd in de Associatieraad en andere overlegstructuren die worden ingericht.

Dat het kabinet geacteerd heeft en deze nadere verklaring heeft kunnen binnenhalen verdient waardering. Belangrijke bezwaren die tot uitdrukking kwamen in de nee-stem zijn geadresseerd, besproken met Europese partners en dit alles heeft geleid tot een bindende interpretatie van het akkoord. Men kan dit veel of weinig vinden, het is een nieuw resultaat dat nu aan de Staten-Generaal wordt voorgelegd en om parlementaire beoordeling vraagt.

Voorzitter, onze opvatting over het belang van het associatieakkoord zijn niet veranderd. Dat heb ik zojuist al uiteengezet. Het raadgevend referendum is door de regering serieus genomen, zoals direct na het vernemen van de uitslag was aangegeven. Het akkoord is inderdaad niet zondermeer geratificeerd, maar voorzien van een nadere en bindende uitleg door de Europese regeringen. Daarmee is aan dat deel van de bevolking dat opkwam om een nee te laten horen tegemoet gekomen. Nu het kabinet met dit resultaat uit Brussel is teruggekomen is er een nieuw moment in de Kamers om in eigen verantwoordelijkheid een eindafweging te maken. Die eindafweging valt voor mijn fractie niet anders uit dan in juli 2015. Ik weet dat in de discussies natuurlijk de vraag is gesteld naar de betekenis en het gewicht van een referendum-uitspraak als deze. Nog even afgezien van de wenselijkheid van dit instrument van volksraadpleging, waar na deze ervaring veel over te zeggen zou zijn, lijkt het me van belang dat we blijven communiceren dat een raadgevend referendum niet bindend is en in een parlementair stelsel de eigen positie en verantwoordelijkheid van volksvertegenwoordigers volledig intact moet laten. Voor mijn fractie is dit een kwestie van staatsrechtelijke zuiverheid. De eindafweging dient in het parlement plaats te vinden en dat willen we op deze dag nadrukkelijk markeren.

Onze fractie steunt dus het wetsvoorstel dat de inwerkingtreding regelt. De vragen die we nog hebben, hebben betrekking op de betekenis en reikwijdte van de verklaring van Europese regeringsleiders. Het associatieverdrag zelf is immers al op 7 juli 2015 aanvaard. De verklaring verplicht de Nederlandse regering er op toe te zien dat deze interpretatie overeind blijft. Graag horen we daarom een toelichting erop door de minister-president.

Inmiddels is duidelijk dat de overeenkomst in afwachting van de volledige aanvaarding al voorlopig wordt toegepast. Daartoe is de EU ook zelfstandig bevoegd. Graag horen we van de minister van Buitenlandse Zaken een stand van zaken op dit punt. Hij gaf in een antwoord aan de Tweede Kamer aan dat ook de artikelen over de politieke doelstellingen kunnen vallen onder dit bereik van voorlopige toepassing. Graag krijgt mijn fractie een beeld van wat dit betekent. 

Voorzitter, alles afwegend zal mijn fractie deze wet steunen waarmee ook de wet van 8 juli 2015 inzake de associatieovereenkomst in werking kan treden.

« Terug